A

Allogene transplantatie

Transplantatie van cellen afkomstig van een gezonde niet-verwante donor.

Autologe transplantatie

Transplantatie met gebruik van eigen cellen van de patiënt. Stamcellen worden afgenomen en de zieke cellen worden verwijderd. Daarna worden de gezonde cellen opnieuw geïnjecteerd bij de patiënt.

B

Beenmerg

Te vinden in het centrum van alle grote holle beenderen. In het beenmerg worden de moedercellen of stamcellen (‘primitieve’ cellen) van het bloed aangemaakt. Deze cellen ontwikkelen zich dan tot de rode en witte bloedcellen en bloedplaatjes.

C

Chemotherapie

Het gebruik van chemische substanties om de ziekte te behandelen. Momenteel verwijst de term bijna uitsluitend naar medicatie om kanker te behandelen.

D

Donor

De persoon (al dan niet verwant met de zieke) die beenmerg of bloed stamcellen afstaat om te transplanteren naar een patiënt.

E

Engraftment

Het aanvaarden van de gezonde donor stamcellen na injectie ervan in de eigen bloedstroom van de patiënt. Wanneer ze geaccepteerd worden, beginnen de stamcellen van de donor normale bloedcellen te produceren in de patiënt.

G

G-CSF

Als de donor ervoor kiest perifere bloed stamcellen  af te staan, krijgt hij een injectie met Granulocyte colony stimulating factor (G-CSF). Deze stof wakkert de productie van bepaalde witte bloedcellen in het beenmerg en het bloed aan. G-CSF zorgt er ook voor dat de stamcellen vrijkomen uit het beenmerg en naar het bloed gaan.

Greffe

Andere benaming voor het beenmerg of de stamcellen (perifeer bloed) die worden afgenomen bij de donor en toegediend aan een patiënt.

GvHD (Graft versus host disease)

‘Graft-versus-host’ ziekte. Het immuunsysteem van een patiënt identificeert normaal gezien de cellen die 'vreemd’ zijn aan het lichaam (bacteriën, virussen) en valt ze aan ter bescherming tegen infectie. Soms erkent het nieuwe immuunsysteem van de patiënt deze patiënt als verschillend van de beenmergdonor. In dat geval gaan de witte bloedcellen van de donor die getransplanteerd worden naar de patiënt (host) in de aanval tegen de patiënt.

GvL

Graft versus Leukemie (GvL) is een voordelig antwoord van het immuunsysteem: de witte bloedcellen van de donor vallen de leukemiecellen van de patiënt aan en vernietigen ze.

H

Hematologie

Studie van het bloed.

HLA

'Humane Leukocyte Antigenen’ – de naam van de antigenen die verenigbaar moeten zijn tussen de donor en de patiënt. Deze moleculen nemen een groot aantal zeer gelijkaardige maar toch enigszins verschillende vormen aan.

Host

De patiënt (bestemmeling) die de stamcellen van de donor ontvangt.

L

Leukemie

Leukemie is kanker van de witte bloedcellen.

M

Match

De patiënt en de donor hebben dezelfde weefseltypes (HLA).

Mismatch

Patiënt en donor hebben verschillende weefseltypes (HLA).

N

Niet verwante donor

Een donor die niet via bloedverwantschap verbonden is met de patiënt.

P

Perifere bloedstamcellen

De stamcellen die in het lichaam circuleren.

R

Radiotherapie

De behandeling van ziekte via bestraling.

Rode bloedcel

Een celtype aanwezig in het bloed dat zorgt voor het zuurstofvervoer doorheen het hele lichaam.

S

Stamcelcollecte

Het proces dat erin bestaat het beenmerg of de bloed stamcellen te collecteren bij de donor.

V

Verwante donor

Een donor die bloedverwant is van de patiënt.

W

Weefsel type

Het weefsel type van een individu wordt bepaald door de kenmerken van zes genen (A, B, C, DRB1, DQB1 en DPB1) die samen het HLA-systeem (human leukocyte antigen) genoemd worden. De identificatie van de HLA-antigenen, ook weefseltypering genoemd, wordt meestal uitgevoerd op een klein bloedstaal en is gebaseerd op de analyse van de genen die coderen voor de HLA-antigenen.

Witte bloedcel

Een type cel aanwezig in het bloed gespecialiseerd in de immuunreactie tegen infectie.